bootstrap themes

Wolf Beretta

De zaak “Wolf Beretta” is een samenvoeging van twee onderzoeken naar overtredingen van de Opiumwet. Wolf in het Limburgse en Beretta in het Brabantse, die geheel los van elkaar begonnen zijn, maar waarvan gaandeweg bleek dat de verdachten toch wel erg veel contact met elkaar hadden. Toen aannemelijk werd dat er samen criminele zaken gedaan werden zijn deze onderzoeken gevoegd. Uiteindelijk werden 21 verdachten vervolgd voor onder meer de invoer van en handel in cocaïne, en de invoer van grondstoffen voor, de productie van en de handel in synthetische drugs.

Dit in diverse juridische varianten zoals (medeplegen van) voorbereidingshandelingen, poging, deelname aan een criminele organisatie of overtreding van de Wet Misbruik voorkoming chemicaliën. Het betrof overwegend grote hoeveelheden: honderden kilo’s cocaïne en honderden liters en kilo’s grondstoffen voor synthetische drugs. Daarnaast waren er nog de nodige witwasfeiten, vuurwapenbezit en andere overtredingen van de Wet wapens en Munitie.

Deze drugs en grondstoffen werden veelal ingevoerd via de haven van Antwerpen en waren verstopt in een zeecontainer tussen een zogenaamde deklading (bijvoorbeeld Travertin Tegels of antivries). Om ontdekking te voorkomen werd er aan de Europese kant gebruik gemaakt van ‘katvanger’-bedrijven op wiens naam de goederen werden besteld en afgehaald. De groepering had contacten in de Antwerpse haven (o.a. corrupte douane medewerkers) waardoor zij de douanecontroles konden ontlopen. Voor deze service moest 50.000 euro per container worden betaald. Uit het dossier volgt dat er tonnen zijn betaald.

De regiezitting in deze zaak had reeds in 2014 plaatsgevonden en door omstandigheden moest de rechtbank deze zaak nu in een geheel andere samenstelling behandelen.

De planning van de inhoudelijke zitting moest dus gebeuren op een moment dat we het dossier nog niet kenden. Het was een erg omvangrijk dossier, zo’n honderd ordners. Daarbij kwam dat het dossier in den beginne ook niet erg toegankelijk voelde. Het dossier was onderverdeeld in zaakdossiers (ongeveer 30) en bestond uit een opsomming van observaties, afgeluisterde gesprekken aangevuld met gegevens aangetroffen tijdens de huiszoekingen. Omdat de verdachten enkel bijnamen gebruikten en ook overigens (ook tijdens vertrouwelijke gesprekken) in verhullend taalgebruik communiceerden, moesten deze onderzoeksgegevens vervolgens nog ‘vertaald’ en ‘geduid’ worden. Door gegevens aan elkaar te koppelen kon bijvoorbeeld herleid worden dat met een bepaalde bijnaam een bepaalde verdachte bedoeld werd. Voorts waren de dagvaardingen door twee verschillende parketten opgesteld die ieder een andere benaderingswijze hadden. Het ene parket legde per drugssoort een concreet drugsfeit ten laste en veegde al het andere onder de criminele organisatie. Het andere parket destilleerde zo veel mogelijk afzonderlijke feiten en legde daarnaast ook nog eens de criminele organisatie ten laste. Voorts zag de criminele organisatie er bij welhaast iedere verdachte anders uit. Allemaal niet onoverkomelijk, maar het maakte het in het begin wel lastig om voeling bij de zaak te krijgen. 

De regiezitting in deze zaak had reeds in 2014 plaatsgevonden en door omstandigheden moest de rechtbank deze zaak nu in een geheel andere samenstelling behandelen.

De aanvankelijke begroting van het aantal zittingsdagen ging dan ook met een beredeneerde inschatting: een dagdeel per groot zaakdossier (met verschillende verdachten), een dagdeel per verdachte voor een aantal kleine zaakdossiers, een hele dag requisitoir en per verdachte een dagdeel voor pleidooi en re- en dupliek. Dit alles aangevuld met wat extra reservedagen, zodat er ruimte was voor eventuele preliminaire verweren en andere niet voorziene uitloop. Tot dusver had iedere verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. De verwachting was dat zij dat zouden blijven doen, hetgeen tijd scheelt bij de inhoudelijke behandeling. 

De verkeerstoren van de rechtbank was, in overleg met de voorzitter, al eind 2016 begonnen met de planning van deze zaak die ergens eind 2017 moest gaan plaatsvinden. Al ras bleek echter dat een deel van de advocaten dan al verhinderd was wegens grote zaken elders in het land. Vandaar dat in het voorjaar van 2017 besloten werd om nog maar een extra sessie in januari 2018 te plannen. 

In november/december 2017 hebben we 14 zittingsdagen vastgelegd en in januari 2018, 5.

Het voordeel hiervan was dat de zaak wel helemaal afgehandeld kon worden. Het nadeel was dat grote delen van het dossier dubbel voorgehouden moesten worden. Deels is dit praktisch opgelost doordat de officieren van justitie hun requisitoir van de november/december 2017 sessie (dat toch een hele lange dag duurde) op voorhand op schrift hebben verstrekt aan de verdediging van de zaken die in januari 2018 werden behandeld en daarnaast nog alleen ingezoomd hebben op de rol van de desbetreffende verdachte binnen het criminele samenwerkingsverband.


Omdat we de zittingsdagen in november/december wat aan de ruime kant gepland hadden, bood dit ruimte –toen de officier in de zomer van 2017 besloot ook nog familieleden van de hoofdverdachten voor witwassen te vervolgen- om deze zaken er nog tussen te plannen.  


In de loop van september 2017 heeft de rechtbank een concept planning gemaakt en daarin aangegeven wanneer we welke feitencomplexen op zitting zouden behandelen. Daarbij is rekening gehouden met de reeds ten tijde van de planning opgegeven verhinderdata van de advocaten en de betrokken officieren (dat waren er vier). Deze planning is gedeeld met de procespartijen. Als er zaken behandeld werden die niet concreet of expliciet bij een verdachte op de tenlastelegging stonden had de verdediging de keus om de zitting al dan niet bij te wonen. Af en toe was een dag nadrukkelijk als uitloopdag bestempeld: op dit soort dagen diende iedereen beschikbaar te blijven.  

Bij een tweetal verdachten ging de behandeling in november/december 2017 om uiteenlopende redenen niet door. Die zaken zijn in onderling overleg probleemloos doorgeschoven naar januari 2018.

Door de rechtbank is overigens uitdrukkelijk aangegeven dat aan iedere verdachte het gehele dossier is verstrekt (dus ook onderdelen die niet expliciet op zijn tenlastelegging zijn terechtgekomen) en dat de rechtbank bij haar beoordeling het volledige dossier zou betrekken en niet alleen het zaakdossiernummer waarnaar op de tenlastelegging werd verwezen.

Het bewijs in deze zaak bestond voornamelijk uit observaties en het afluisteren van vertrouwelijke gesprekken tijdens bijvoorbeeld ontmoetingen in horecagelegenheden of in auto’s waar afluisterapparatuur was geplaatst. Al deze afgeluisterde gesprekken (honderden zo niet duizenden uren) waren voor de verdediging en de rechtbank toegankelijk gemaakt door middel van een speciale toegang tot een politieserver. Het is een heel technisch verhaal, en het had de nodige voeten in de aarde om deze toegang voor de rechtbank ook de facto mogelijk te maken. Toen we die toegang eenmaal hadden, bleek dat een handige zoekfunctie of index ontbrak, zodat het opzoeken van een bepaald gesprek ondoenlijk was. Daarom heeft de rechtbank op voorhand aan de verdediging gevraagd of zij nog behoefte had aan het terugluisteren van geluidsbestanden op zitting en zo ja welke. Al met al is een van de griffiers alleen al met dit geregel weken druk geweest.

Uiteindelijk hebben we op verzoek van de verdediging twee gesprekken op zitting beluisterd. Het kwam overigens goed uit dat net deze gesprekken in het voortraject al een keer op cd waren verstrekt en dus niet van de politieserver afgehaald hoefden te worden.

Omdat de planning zo veel voeten in de aarde had gehad en een uitstel van de behandeling (om welke reden dan ook) waarschijnlijk tot gevolg zou hebben dat deze zaak pas weer een jaar later behandeld zou kunnen worden, is er voor gekozen om een vierde rechter te benoemen. Voorts is de wrakingskamer op voorhand verzocht om stand-by te staan.

Gelukkig is alles conform planning verlopen. De vierde rechter heeft niet hoeven in te springen en er is geen wrakingsverzoek ingediend. Ook hebben we geen gebruik hoeven te maken van de uitloopdagen.


De omstandigheid dat dit soort zaken wel allemaal geregeld zijn, brengt een soort van rust. Dat is prettig bij een dergelijke omvangrijke zaak.

Ook hebben we in alle zaken (dus zowel die van eind 2017 als die van begin 2018) het onderzoek pas medio maart 2018 gesloten en eind maart uitspraak gedaan. Dit gaf ons (de drie leden van de rechtbank en twee griffiers) tijd om te raadkameren en de uitspraken te schrijven. Die tijd hadden we hard nodig. Het langste vonnis was ongeveer 200 pagina’s en het grootste deel van de verdachten had een vonnis van meer dan honderd pagina’s. Al met al zijn drie rechters en twee griffiers full time zo’n zes maanden met deze zaak bezig geweest.


Deel deze Forum Romanum